Geadopteerd, en dan?

> sprookje Hartenkoning

Geadopteerd, en dan?

Sprookje 'De Hartenkoning'

Irina vertelde dit sprookje ter gelegenheid van het uitkomen van dit boek, op 12 mei 2012. Zij schreef dit sprookje speciaal voor dit boek.


Het onderstaande sprookje De Hartenkoning mag niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt en op generlei wijze worden gekopieerd zonder schriftelijke toestemming van de auteur. U kunt eventueel per email met haar contact opnemen.

Irene Bakker-Sterk (IRINA)
tel.: 030-6042083
irenco@casema.nl


De Hartenkoning

een sprookje van IRINA

Er was eens een jonge prins met een bijzondere naam: Enrique. Prins Enrique woonde met zijn ouders in een groot kasteel en had alles wat zijn hartje begeerde. Mooie kleren en een grote kast vol speelgoed. De koning en de koningin hielden veel van hem en hij was dol op zijn ouders.

Elke avond bracht zijn moeder hem naar bed. Enrique kroop dan lekker onder de dekens, de koningin ging op de rand van zijn bed zitten en begon te vertellen, steeds hetzelfde sprookje. Enrique luisterde:

“Er leefden eens een koning en een koningin die erg ongelukkig waren, want ze wachtten al jarenlang op een kindje. Het liefst wilden ze een jongetje, een troonopvolger, maar de wieg in de kinderkamer bleef leeg.

Op een dag zat de koningin verdrietig op het bankje naast de treurwilg in de tuin van het kasteel.
‘Ik wil zo graag een kindje, waarom krijgen andere vrouwen wel een kindje en ik niet,’ zuchtte ze.

Plotseling hoorde ze een stem die kraakte van ouderdom. Naast de bank stond een kleine kabouter.
‘Wees niet bedroefd koningin. Als u een kindje wilt, reis dan samen met uw man naar Distanzia. Daar woont de goede fee Caressa en die heeft heel veel kindjes, vondelingen en wezen. Caressa zoekt nieuwe ouders voor ze. Maar…, ze geeft ze niet zomaar.’
De kabouter maakte een diepe buiging en verdween in een holle boom.

De koningin liep vlug naar haar man en vertelde hem wat de kabouter gezegd had.
‘Zouden we dat wel doen?’ wilde de koning zeggen. Maar toen hij naar zijn vrouw keek, zei hij dat ze hun koffers moest pakken. De volgende dag vertrokken ze met een koets met acht paarden ervoor. Na een lange reis kwamen ze bij de grens. De wachter zei dat het niet ver meer was en legde aan de koetsier uit hoe hij rijden moest.

Een uurtje later zaten ze bij Caressa thee te drinken. ‘Jullie kunnen een kindje krijgen,’ zei de fee, ‘maar niets voor niets. Jullie moeten drie opdrachten uitvoeren, echte beproevingen. Als jullie voor alle proeven slagen mogen jullie een kindje mee naar huis nemen. Zo niet, dan vertrekken jullie met lege handen.’
Het paar stemde toe.
‘Dan komt nu de eerste opdracht!’ zei Caressa. ‘Zien jullie die hoge witte berg daar in de verte? Die moeten jullie binnen 3 dagen laten verdwijnen.
De koning en koningin bekeken de berg van dichtbij. Het was een enorme papierberg. Met volle moed gingen ze aan de slag en begonnen het papier te verscheuren.

De hele dag scheurden ze en de wind nam de snippers mee. Tegen de avond was de berg iets kleiner geworden. Hun handen zaten vol blaren en ze waren doodmoe. ‘Het gaat te langzaam vrouw,’ sprak de koning. Morgen moeten we nog harder werken’.

Teleurgesteld zagen ze de volgende morgen dat al hun werk voor niets was geweest. De berg was aangegroeid. Hoe was dat nu toch mogelijk? Samen reden de koning en de koningin om de berg heen en zagen dat er een papiermolen achter stond die zorgde dat de papierberg bleef groeien. De koning klom naar boven en probeerde de draaiende wieken te stoppen terwijl de koningin toekeek. Hij kreeg het niet voor elkaar. Van regeren had hij meer verstand. Razendsnel, tegen beter weten in, begonnen ze weer te scheuren en stopten pas toen ze helemaal uitgeput waren. De berg was een flink stuk kleiner, maar de blaren waren kapot gegaan en het witte papier zat vol bloed.

‘We hebben nog één dag,’ antwoordde de koning. ‘Laten we extra vroeg opstaan en nog harder werken.’

Na een korte nachtrust gingen ze naar de berg die nog hoger geworden was. ‘Vandaag moet het lukken,’ zei de koningin en met de moed der wanhoop ging het koningspaar de berg te lijf. Hun vingers brandden en alle spieren deden pijn. Behalve als ze aan hun kindje dachten, dan voelden ze geen pijn.

De schemering viel en de berg was nog lang niet verdwenen, maar ze gingen door en hun verlangen naar een kindje groeide en groeide. Op het laatst was hun verlangen zo vurig dat – toen de koningin diep zuchtte – er een vonk oversprong. De berg vatte vlam en verdween in een laaiend vuur. Net op tijd!
Door de rooksluiers gingen ze naar Caressa terug.
Wat zou de tweede opdracht zijn?

‘De volgende opdracht is een oefening in geduld.’ Caressa gaf de koning en koningin een reusachtige zandloper. ‘Draai hem om en als hij is leeggelopen kom dan terug voor de laatste opdracht.’

Korreltje voor korreltje viel het zand naar beneden. De koning en de koningin keken elkaar vragend aan. Hoe moesten ze de tijd doorkomen?
‘We gaan op reis,’ zei de koning. ‘Ik wil dit land goed leren kennen.’
‘Ja, dan kunnen we ons kind er later alles over vertellen,’ antwoordde de koningin.

De paarden werden weer voor de koets gespannen. Overal waar ze kwamen schilderde de koning de landschappen en de mensen. De koningin ging elke dag naar de markt om kleertjes en speelgoed te kopen, zodat hun kindje iets uit zijn eigen land zou hebben. ’s Avonds voor ze gingen slapen bedachten ze mooie namen.

De tijd kroop voorbij en eindelijk toen de koets volgeladen was met tekeningen en spulletjes en er niets meer bij kon, was de zandloper leeg en keerden ze terug naar Caressa.
‘Jullie hebben je tijd goed besteed,’ zei ze. ‘Dan is het nu tijd voor de laatste opdracht, een raadsel. Let op: Je kunt het geven en ontvangen, je krijgt het voor niets en het is toch onbetaalbaar. Als je het deelt, vermenigvuldigt het zich. Rara wat is dat?’

Radeloos keek de koningin naar haar man. Wist hij het? Maar de koning schudde zijn hoofd.
‘Alstublieft, Caressa,’ sprak de koningin met tranen in haar ogen, ‘we hebben zoveel liefde te geven en we willen zo graag een kindje dat van blijdschap lacht als het ons ziet. Toe, bedenk dat we schatrijk zijn, maar ondanks onze rijkdom blijft het wiegje in de kinderkamer leeg. Help ons, omwille van de Liefde.’

‘De Liefde! Goed geraden!’, sprak Caressa. Ze verliet de kamer en kwam even later terug met een klein kindje in haar armen. ‘Hier is jullie zoontje.’

De koning en koningin waren verrukt toen ze het jongetje zagen. Hij hield zijn oogjes stijf toegeknepen, alsof hij niemand wilde zien en hij huilde zoals alle kleintjes doen.

‘Wees goed voor hem,’ zei Caressa voor ze vertrokken en ze haalde een kettinkje tevoorschijn waaraan een medaillon hing, een half hartje. ‘Als jullie zoon ooit op zoek wil gaan naar zijn afkomst moet hij de andere helft van het hartje zoeken. Dit betoverde medaillon zal hem helpen.’

Trots schreef de koning, toen hij thuisgekomen was, de naam van zijn zoon onder zijn eigen naam in de familiekroniek. Tevreden sloot hij het boek.
In het hele land verkondigden herauten het grote nieuws dat er een troonopvolger was en het volk vierde zeven dagen en zeven nachten feest.”

Elke keer als de koningin daar aangekomen was vroeg de prins: ‘Met vuurwerk en ballonnen?’
‘Met vuurwerk en ballonnen!’ antwoordde de koningin dan steevast. Ze gaf de kleine prins een nachtzoen en het ventje viel tevreden in slaap.

De prins groeide op. Af en toe merkte hij dat de bedienden zacht spraken en zijn kant opkeken. Als hij hen dan aankeek draaiden ze hun hoofden af of keken schichtig rond. De prins vond dat vervelend, want hij voelde dat er iets voor hem verborgen werd gehouden. Maar wat?
Honderd keer vroeg hij aan zijn moeder en vader: ‘Waarom ben ik donker en hebben alle andere mensen een lichte huid?’
‘Maak je geen zorgen, ga maar lekker buiten spelen,’ zeiden ze en glimlachten. En toen hij wat ouder was: ‘Dat is te veel om nu uit te leggen, wacht maar tot je groot bent. Heb je je huiswerk al af?’

Toen hij voor de zoveelste maal met een kluitje in het riet was gestuurd, liep de prins boos naar de tuin en ging naast een oude treurwilg op een bankje zitten.
‘Waarom ben ik toch anders?’ mopperde hij. ‘Waarom krijg ik geen antwoord op mijn vragen?’
‘Inderdaad, dat is geen stijl, ik zal eens met je ouders gaan praten,’ klonk het onder hem.

Toen de prins omlaag keek zag hij nog net hoe een kabouter met spillebeentjes naar het kasteel rende. De prins holde achter hem aan. Bij de ingang van het kasteel wachtten zijn ouders hem op. De kabouter was verdwenen.

‘Hebben jullie een kabouter gezien?’ vroeg de prins buiten adem.

‘Ja, we hebben hem gesproken,’ antwoordde de koning. ‘Kom mee, we moeten je iets laten zien.’

Enrique volgde hen een lange trap af naar een gang diep onder het paleis. Aan het einde van de gang stopten ze voor een oude eiken deur vol barsten. Daarop stond in bronzen letters ‘KONINKLIJK ARCHIEF’. De sleutelbewaarder opende de deur. Er werd een grote zaal zichtbaar en het gezelschap ging naar binnen.

Vol verbazing keek de prins rond in de ruimte waarin kaarsen in zware koperen kandelaars hun licht moeizaam verspreidden. Langs alle wanden stonden kasten met planken die diep doorbogen omdat ze volgestouwd waren met boeken en kronieken.
‘Wat moet ik hier doen?’ vroeg de prins aan de koning.
‘Je gevoel klopte, mijn zoon,’ sprak deze. ‘Maar we vinden het zo moeilijk om het geheim te vertellen. We zijn zo bang om je te verliezen.’
‘Ik heb wel geprobeerd om het aan je te vertellen,’ vulde de koningin aan.
De koning ging verder: ‘In dit archief kun je de antwoorden op je vragen vinden. Maar denk goed na voor je gaat zoeken. Vaak roepen antwoorden nieuwe vragen op. Je kunt er ook door veranderen.’ Daarna verliet het koningspaar het archief.

De prins keek naar de boekenkasten. Wat moest hij doen? Weggaan of de antwoorden op zijn vragen zoeken?
In een hoek van het archief schoof langzaam een gouden boek naar voren. De prins deinsde achteruit, vermande zich en schoof het weer terug. Hij pakte een ander boek. ‘Distanzia’, het was een schetsboek. Bladzijden vol tekeningen en schetsen van vreemde landschappen, dieren en mensen. De mensen waren donker zoals hijzelf en hun kleding was felgekleurd. Er ging een nieuwe wereld voor hem open. Een wereld die een verlangen opriep.
Nog een boek trok zijn aandacht: ‘Zeden en gebruiken in Distanzia.’
‘Taal en grammatica van Distanzia voor beginners’ stond vol vreemde woorden en letters. Steeds als hij een boek terugzette zag hij het gouden boek bewegen. Dan duwde hij het wel weer terug, maar hij durfde het niet op te pakken.

Iedere dag ging Enrique direct na het ontbijt naar het Koninklijk Archief. Pas als zijn maag begon te knorren of zijn ogen bijna dichtvielen ging hij naar boven om te eten of te slapen.
Pas na honderd dagen durfde de prins het gouden boek te bekijken. Op de voorzijde van de omslag stond in sierlijke letters ‘Familiekroniek’. Op de eerste bladzijde zag hij een grote boom met brede takken, zijtakken en lange wortels. die zich splitsten tot ze een ragfijn netwerk vormden, de stamboom.
Nieuwsgierig las hij de namen van zijn voorouders. Ze heetten allemaal Karel of Johan, zoals zijn vader. Waarom heette hij niet zo, maar Enrique?’ Even later begreep hij het. Onder de naam ‘Enrique’ had zijn vader met gouden inkt geschreven: ‘Vandaag hebben wij een zoon gekregen. Enrique is geboren in Distanzia. We zijn zeer gelukkig.‘

Distanzia? Hij was geboren in Distanzia? Het sprookje! flitste het door hem heen. Hìj was de prins uit het sprookje dat zijn moeder hem altijd vertelde voor hij ging slapen!
Enrique greep een stoel vast om niet te vallen. Naar boven moest hij, naar zijn ouders.
O nee, het waren zijn ouders niet! Wie waren zijn ouders dan wel? Waren ze dood of leefden ze nog? En als ze nog leefden, waarom wilden ze hem dan niet? Wat had hij hen misdaan dat ze niet voor hem wilden zorgen? Wat was er met dat medaillon in het sprookje? Het halve hartje. Wie was hij?
Distanzia! Hij moest zo snel mogelijk naar Distanzia. Om de antwoorden te vinden, niet wachten tot het te laat was. Misschien leefden zijn ouders nog…

Langzaam kwam de prins tot zichzelf. Hij ging naar de troonzaal.
‘Je gaat op reis,’ zei de koning berustend. De prins knikte.
‘Ga dan met onze zegen.’

De koningin liep met tranen in haar ogen op haar zoon toe. Met trillende handen hing ze een dunne ketting om zijn hals. Het was het medaillon, een half hartje.
‘Als jullie zoon ooit op zoek wil gaan naar zijn afkomst moet hij de andere helft van het hartje zoeken. Dit betoverde medaillon zal hem helpen.’ herhaalde Enrique de woorden van Caressa uit het sprookje.
De koningin lachte door haar tranen heen. ‘Helpt het ook om je weer terug bij ons te brengen?’
De prins slikte iets weg. Al die jaren had zijn moeder het medaillon voor hem bewaard.

In alle vroegte gaf de koningin hem zijn ransel met schone kleren en proviand voor onderweg. De koning gaf zijn zoon een kleine buidel met goudstukken. ‘Pas goed op jezelf jongen. Kom heelhuids terug.’
De prins zoende zijn ouders en besteeg zijn paard.

Zodra hij het de sporen gaf wees het hartje hem de weg. Als hij in de juiste richting reed begon het te kloppen, week hij van die richting af dan stopte het.

Na een lange reis bereikte de prins de grens van Distanzia. Wat was alles armoedig en vuil. De mensen woonden in krotten. Dat had hij niet verwacht. De prins reed dieper het land in en vroeg overal of er moeders waren die een kind misten. Soms kwamen er dan mensen die zeiden dat hij hun verloren zoon was, maar omdat het hartje dan stopte met kloppen wist de prins dat ze logen. Als hij zijn weg vervolgde klopte het hartje weer.

In een kleine stad zocht Enrique een herberg om de nacht door te brengen. Op het marktplein liepen een jongen en een meisje die hem bekend voorkwamen. Ze waren armoedig gekleed en leken sprekend op elkaar. ‘Misschien weten zij waar Caressa woondt,’ dacht de prins. De fee kon hem vast vertellen of zijn ouders nog leefden.
Terwijl hij naar ze toeliep viel zijn jasje open en het hartje, dat hevig klopte, werd zichtbaar. Het meisje wees ernaar en riep: ‘Hé, Wat doe jij met het medaillon van onze moeder?’

‘Dit medaillon is van mij,’ antwoordde de prins, ‘ik heb het van mijn moeder gekregen voor ik op reis ging.’

‘Dan, dan…’ De wangen van het meisje kleurden rood. ‘Het sprookje!!! Is het dan waar?’
‘Welk sprookje?’ vroeg de prins.
‘Het sprookje dat moeder ons elke avond vertelde toen we nog klein waren.’
‘Over een koning en een koningin?’
‘Nee, over een arme weduwe.’

De prins werd nieuwsgierig. ‘Wil je het me vertellen? Ik hou van sprookjes.’
Het meisje keek naar haar broer, maar die haalde zijn schouders op.
‘Ga je gang,’ zei hij.

Ze gingen op een bankje zitten en het meisje begon te vertellen.

“Er leefden eens een man en een vrouw die erg gelukkig waren. Elke dag vertrok de man naar het oerwoud om paden begaanbaar te houden. Het leverde niet veel op, maar ze konden er samen met hun twee kinderen van leven. Op een kwade dag trapte hij een giftige slang op zijn staart. De slang beet in zijn been en de man stierf.

De weduwe was heel verdrietig, maar ze moest verder. Haar kinderen leden honger. Gelukkig vond ze werk en de kinderen mocht ze meenemen. Die konden haar helpen.
Na een paar weken merkte ze dat er een nieuw kindje in haar buik groeide. Wat moest ze beginnen! Met nog een kleintje er bij kon ze niet meer werken en zouden ze verhongeren.

‘Drie dagreizen hier vandaan woont een kinderfee,’ hoorde moeder toen haar kindje geboren was. ‘Ze zoekt voor wezen en vondelingen nieuwe ouders en de kinderen krijgen het goed.’ Ze ging naar de fee en smeekte haar om ook voor haar zoontje lieve mensen te zoeken, die hem veel liefde en een goed leven wilden geven. De fee beloofde het en gaf de moeder uit medelijden nog wat goud en een gouden medaillon. Een half hartje.

‘Doe het nooit af,’ sprak ze. ‘Ik heb het betoverd. Als je zoontje je later wil zoeken dan zal hij je hierdoor weten te vinden.’
De moeder beloofde het, kuste haar kindje en ging naar haar andere kinderen. Ze bleef altijd aan hem denken en het medaillon draagt ze nu nog steeds.”

‘Wat droevig,’ zei de prins toen het meisje uitgesproken was.
‘Ja,’ antwoordde ze, ‘en nu wil ik jouw verhaal horen.’
De prins schraapte zijn keel en begon te vertellen, het hele sprookje. ‘En als mijn moeder klaar was vroeg ik altijd: ‘Met vuurwerk en ballonnen?’ En dan zei ze altijd: ‘Met vuurwerk en ballonnen.’

‘Mooi!,’ zei het meisje, terwijl ze hem vreemd aankeek. ‘Kom we gaan naar mijn moeder, dan kun je haar hartje zien.’

In een kraam vol houtsnijwerk en rieten manden stond een vrouw, krom van het werken, de grijze haren in een knot. Zodra ze de prins zag greep ze naar haar medaillon. De prins hoorde hoe het hartje klopte.

‘Mijn zoon?’ klonk het aarzelend. Ze pakte het medaillon van de prins en hield dat van haar er tegenaan. De hartjes klopten in hetzelfde ritme, de twee helften versmolten en werden één hart.
‘Mijn kind,’ zei de moeder met betraande ogen. ‘Wat ben je groot.’

Zijn moeder gaf hem het medaillon met het hele hartje en ze omhelsden elkaar met in de ogen tranen van geluk. Daarna gingen ze gezamenlijk naar het huisje van zijn moeder en ze leefden nog …

 

Nee, zo ging het niet. In het begin wàs de prins gelukkig. Hij had zijn moeder gevonden en hij had ook nog een oudere broer en zus.
Zijn familie vroegen hem honderduit en ze waren vol verbazing als hij over thuis vertelde. ‘Woon je in een echt kasteel? Heb je een eigen kamer? Met warm en koud water uit de kraan?’
‘Je blijft nu toch hier,’ zei zijn moeder keer op keer. Daar wist hij geen antwoord op. Zeker, er was een band ontstaan met zijn familie. Maar de koningin had hem getroost als hij viel en sprookjes verteld voor hij ging slapen. De koning ging vaak met hem vissen en had hem leren schaken. Nu hij zo ver van huis was voelde hij pas hoe sterk de band tussen hen was. Ze moesten eens weten hoe hij hen miste. Wat zou het fijn zijn als ze zijn familie kenden.

Tot zijn verbazing stond de koningin een tijdje later voor de deur.
‘Ik had het gevoel dat je me nodig had. Gaat het wel met je?’ vroeg ze na vier dikke kussen. ‘Je ziet er zo moe uit.’

De oude moeder ging naast de prins staan. Enrique zag hoe de koningin van hem naar zijn moeder keek.
‘We lijken op elkaar, he?’
‘Ja,’ zei de koningin. ‘Maar ik kan ook de band zien die jullie met elkaar hebben. Hij lijkt op de band die ik met je heb.’

De prins knikte. ‘Ik wou alleen dat ze niet zo trokken, het zijn banden van verwachtingen. Ik krijg het er benauwd van.’

De koningin rommelde in haar tasje. Aha, daar was haar lintenschaartje. ‘Hier jongen,’ zei ze, ‘Banden zijn er om door te knippen.’

De prins pakte het schaartje aan, aarzelde, pakte de banden vast en knipte. De banden vielen op de grond, maar… er groeiden direct twee nieuwe banden. De prins knipte en knipte. Steeds verdubbelden ze zich. Allemaal verschillende banden in verschillende richtingen en met verschillende verwachtingen. Ze kronkelden zich om de prins heen. Hij hapte naar adem. Het hartje om zijn hals ging als een bezetene te keer.

De moeders keken elkaar in de ogen. Als de prins de banden niet kon doorknippen, moesten zij het doen en alle verwachtingen moesten ze loslaten. Maar was dat zo erg? Het ging immers om het geluk van hun zoon! Liefde was ook een band, eentje die niet knelde. En zonder verwachtingen werd alles wat de prins aan hen kon geven een cadeautje.

De koningin gaf haar zilveren reserveschaartje aan de andere moeder. Samen knipten ze de banden door. De ene na de andere band viel op de grond. Hun zoon kon weer ademen en het hartje kwam tot rust. Enrique kon nu zijn eigen richting bepalen.

 

Terug in het kasteel bereidde Enrique zich voor op de zware taak die op hem wachtte.
Als hij rondreisde in het koninkrijk vroegen kinderen hem weleens waarom hij zo donker was. Dan vertelde hij hen het sprookje van de halve hartjes en liet het medaillon zien.
Hij wist wie hij was en voelde zich compleet. Regelmatig schreef hij brieven naar zijn familie. Soms bezocht hij hen.

Jaren later, toen zijn vader oud was, werd Enrique tot koning gekroond. Er was opnieuw groot feest, met ballonnen en vuurwerk en het hele volk juichte ‘Lang leve onze Hartenkoning.’

 

omhoog naar boven