Kort maar Krachtig

> Drie jaar later... > Risal

Drie jaar later...: Risal

januari 2003

april 2008

Vadergedachten - januari 2003

Ruim vier jaar is onze Risal nu. Samen met zijn zus Yanthi van al bijna 7 jaar vormt hij een prachtig span. Ik voel me een trotse vader. Zou ik me anders voelen als Risal ‘gewoon’ was geweest? Maar wat is dat eigenlijk: "gewoon"’?

Voor de geboorte van onze kinderen hadden we het er zeker wel eens over gehad. De geboorte van een kind was om allerlei redenen geen ‘vanzelfsprekendheid’ voor ons. Maar toch: Yanthi was voorspoedig en gezond ter wereld gekomen, waarom zou het bij de tweede anders gaan? Toen, net na de geboorte, moe maar gelukkig kijkend naar ons midden in de nacht geboren jongetje, die opmerking van de verloskundige. ‘Misschien is er niets, maar ik zie iets aan hem. Het zou om het syndroom van Down kunnen gaan’. Nader onderzoek, diezelfde nacht nog in het ziekenhuis, stelt ons gerust. Niets aan de hand. De gedachte van de verloskundige is vast ingegeven door de Aziatische trekken die Risal van moeder’s kant heeft meegekregen. We zijn geschrokken van de commotie, maar genieten onverminderd van ons prachtige jongetje. Een onbezorgde kraamtijd, afgezien van de gekke steenpuist op z’n bips. Kan gebeuren.

Twee maanden later: nacontrole in het ziekenhuis. Toch nog onzekerheid bij de artsen. Foto’s maken, bloed prikken. En dan de diagnose: achondroplasie. Moeilijk woord om te onthouden. Internet biedt achtergrondinformatie: er blijkt goed mee te leven. Maar internet biedt ook lange lijsten met mogelijk risico’s en complicaties. We voelen ons door ons geluk heen verdrietig en onzeker over de toekomst van ons mooie jongetje. Mijn zus, arts, helpt te relativeren: ook van de gewone griep zijn zulke lijsten samen te stellen. Maar toch.

Na een paar maanden bezoeken we voor het eerst een BVKM-bijeenkomst. Voorlichting over aangepaste fietsjes wordt er gegeven. Behoorlijk voorbarig bij een babytje van nog geen half jaar. Ik spreek nauwelijks iemand, maar kijk vooral rond, observerend. Zo ziet achondroplasie er dus uit.

Weer een half jaar verder: een feestelijke BVKM-dag in een leuke speeltuin. Ontspannen spelen jong en oud, klein en groot, op en met al het originele materiaal dat voorhanden is. Ik spreek een moeder van een tiener-zoon met achondroplasie. "’t Is gek", zegt ze, "maar ik zie het niet meer. Als ik mijn zoon zie lopen zie ik gewoon vol trots een knappe jongen lopen en kan ik me nauwelijks meer voorstellen dat mensen hem anders zien".

"Prachtig" denk ik. "Prachtig om te horen dat een moeder zo over haar zoon spreekt". Maar ik kan het me nauwelijks voorstellen. Kijkend naar haar zoon zie ik slechts die jongen die zo heel, heel anders is. Misschien heb ik wel meer een handicap dan hij, bedenk ik me. Misschien kan ik wel niet goed zien.

Vier jaar later. Onze Risal gaat naar school, in groep 1. Hij heeft het reuze naar zijn zin, is meestal blij, en soms verdrietig, precies zoals dat een kleuter van vier jaar vergaat. Zit vol grapjes, stelt eindeloos veel vragen maar heeft ook heel veel ontwapenend simpele oplossingen. Hij voelt wel dat hij een beetje anders is, ervaart het misschien ook wel, maar realiseert het zich nog niet en kan het al helemaal nog niet onder woorden brengen. Hoewel: als het hem uitkomt doet hij dat al wel. Want soms is het ook wel handig om te kunnen zeggen dat je iets nog niet hoeft of kunt omdat "mijn botjes héél langzaam groeien".

Als ik Risal zie spelen en hem met zijn relatief sterke armen een hoge stoel op zie klimmen moet ik aan Pipi Langkous denken. Die leuk-gekke, supersterke sproetenkop-creatie van Astrid Lindgren zag eens in de etalage van de locale drogist een poster hangen met de vraag ‘Heeft u last van zomersproeten?’. Resoluut stapte ze de winkel binnen en riep luid "Nee!" tegen het personeel, dat verbaasd vroeg waar dat nee op sloeg. "Ik heb geen last van zomersproeten", lichtte Pipi toe, verwijzend naar de etalage. "Maar kind, je zit onder", reageerde de dame achter de toonbank. "Dat kan wel zijn", zij Pipi, "maar ik heb er geen lást van!"

Laatst bedacht ik me, na een paar dagen veel met Risal opgetrokken te hebben, opeens met een schokje dat ik die dagen niet aan zijn klein-zijn had gedacht. Ik had me gewoon de trotse vader gevoeld, plezier makend en de wereld ontdekkend met zijn zoontje op die prachtige leeftijd van vier jaar. En kennelijk had ik, eventjes, vragende blikken van mensen in het winkelcentrum niet gezien of niet gevoeld. Natuurlijk, het gaat momenteel ook goed. De internet-lijst met mogelijke complicaties lijkt ver weg. Amandelen knippen en buisjes zetten zijn de zwaarste ingrepen die Risal, bijna altijd verkouden, tot noch toe heeft gehad. Maar toch…… Zou ik al iets van mijn handicap kwijt raken? Zou ik al wat beter leren zien?

Rien

Vadergedachten - april 2008

Negen jaar is onze Risal nu. ‘Ik word al groot hè, pap’ vatte hij zelf mijn verzuchting hierover deze week samen. Niet te geloven! ‘Wat worden ze toch snel groot’ blijkt opeens geen vage uitspraak meer van oude tantes uit een ver verleden…..

In groep 5 ontpopt Risal zich als een slimme en leergierige jongen. Met veel plezier in vooral rekenen, maar ook vol belangstelling voor tal van andere onderwerpen. Met een hoop vriendjes, in de klas en daarbuiten. Met een tomeloze energie en veel sportiviteit, die hij vooral inzet in het voetballen: bij zijn club Voorschoten ’97 of gewoon op het veldje voor ons huis. Met lekker veel temperament, waardoor hij af en toe héél boos kan zijn, maar ook met een groot sociaal hart voor de gevoelens en situaties van anderen. Ja, ik voel me een trotse vader op een al heel groot wordende jongen.

Mooi dat ik dat zo ervaar! Dat mijn zoon groot wordt zonder groot, in de zin van lang te worden. Mooi dat ik ervaar dat ook anderen dat zien, in zijn omgeving, en hem ook naar die leeftijd tegemoet treden. ‘Groot geworden door klein te blijven’ was de reclameslogan van een bedrijf, ik geloof een bank. ’t Zou die van Risal kunnen zijn.

Verscheidene mijlpalen in het leven van een negenjarige jongen werden inmiddels ook door Risal gepasseerd. Hij verhuisde van het ‘kleuterplein’ voor de groepen 1 en 2 naar het ‘grote plein’. Hij haalde zijn zwemdiploma’s A en B. Hij leerde fietsen en kreeg zijn eerste echte fiets zónder zijwieltjes. Hij werd lid van een voetbalvereniging en speelt competitie: eerst in het F-team, toen bij de E-tjes. Hij loopt jaarlijks de Avondvierdaagse, dit jaar al voor de vierde keer. Hij blijkt van schaatsen te houden, en meer nog van skieën. En óf die Risal groot wordt……

’t Is waar: hier en daar vergen die mijlpalen wel extra karakter. Na de vertrouwdheid van het kleuterplein moesten ook aan de andere kant van de school sommigen even aan zijn komst wennen. De zwemdiploma’s kwamen er mede dankzij speciale lessen voor ‘speciale kinderen’ in extra kleine groepjes. Wat zag het er eng uit, die eerste keren in het diepe, het hoofd stijf omhoog houdend alsof hij nauwelijks boven kon blijven.

Het zelf leren fietsen werd bereikt op een leeftijd waarop hij eigenlijk niet meer oefenend gezien wenste te worden. En dus moest daartoe ’s avonds laat nog maar met papa in het donker worden geoefend, bij voorkeur twee straten verder buiten het mogelijke zicht van eventuele bekenden.

De beloning: een eigen fiets, maar dat vergde wel weer lang zoeken, want aanvankelijk leek Risal alleen op een roze fiets met K3-opschrift goed bij de trappers te komen, en dat was natuurlijk uitgesloten. Bij de voetbalvereniging blinkt hij op het veld uit in technisch prachtig voetbal, en het verschil in snelheid met de tegenstanders levert nog niet zo veel nadeel op zolang als er op halve velden wordt gespeeld. De overstap naar de hele velden van een D-elftal zal, tot zijn grote verdriet, waarschijnlijk moeten leiden tot een andere sportkeuze.

De avondvierdaagse werd het eerste jaar nog uitgelopen met de fietskar als bezemwagen. Het tweede jaar ging de fietskar al ongebruikt mee, en nu kunnen we het ding rustig thuis laten. Maar de kans op kramp en pijn na afloop blijft aanwezig, ondanks de speciaal vervaardigde inlegzooltjes. Voor het schaatsen vonden we kleine kunstschaatsen die prima passen: zwart natuurlijk (geen witte voor een jongen!). En voor het skiën lukt het tot nu toe wonder wel om passend materiaal te vinden. Bij beide sporten blijkt zijn geringe lengte best een voordeel: lekker dicht bij de grond levert een goede gewichtsverdeling op met nauwelijks risico van vallen, want gaat het te snel dan zakt Risal gewoon door de knieën en hij staat stil.

Een gewone jongen van negen die zich prachtig ontwikkelt. Een grote jongen al die, net als iedere negenjarige, heel veel leert en heel veel ontdekt van wat hij allemaal wil en kan. Met vallen en opstaan, dát wel. Het kost hier en daar net wat meer moeite, het vergt af en toe net wat meer doorzettingsvermogen, het leidt hier en daar tot net wat meer tegenslag en verdriet. Het vallen doet soms wat meer zeer, het opstaan kost soms wat meer kracht. Maar het kan écht: klein blijvend groot worden!

Rien Timmer, Leiden, 29 april 2008

lees de andere verhalen
omhoog naar boven